Skip to main content
Insight

The right to refuse to give evidence of (foreign) employed lawyers

Locations

Netherlands

Click here to read this article in Dutch.

A key right of a lawyer is the ability to refuse to give evidence – known as 'Privilege'. However, it has not always been clear whether a foreign employed lawyer (that is, a lawyer who is employed by an employer and within that employment acts exclusively for that employer, and whose activities are mainly focused on the practice of law, known as 'in-house counsel') is also entitled to this Privilege. The Supreme Court clarified this in a judgment of 24 May 2022 concerning the criminal investigation into Shell's alleged bribery in the purchase of an oil field in Nigeria. In this instance, documents and digital data carriers containing documents sent or received by foreign in-house counsels at (a subsidiary of) Shell were seized at Shell's head office in The Hague in early 2016. The central question in this case is whether these documents are covered by the Privilege of the in-house counsels and whether the seizure was therefore unlawful. The appeal to the Supreme Court was declared inadmissible, since an appeal to the Supreme Court is not possible against the interlocutory order of the district court. Nevertheless, the Supreme Court observed the following about the Privilege of (foreign) in-house counsels.

The Supreme Court considered that the fact a lawyer is employed does not constitute a ground for denying him or her Privilege. However, it will have to show that guarantees have been taken into account with regard to an independent practice and the undisturbed observance of the professional and practice rules. In answering the question whether and, if so, under what conditions, an in-house counsel is entitled to Privilege, the Supreme Court distinguished between the following categories: (I) Dutch in-house counsels, (II) in-house counsels from the European Union, and (III) other foreign in-house counsels.

(I) Dutch in-house counsels

An in-house counsel who is registered as a lawyer in the Netherlands will only have the right to refuse to give evidence (in relation to the activities he or she has performed in the practice of law for the benefit of the employer) if (s)he has a professional statute, as mentioned in article 5.12 of the Regulation on the Legal Profession (Verordening op de advocatuur) (a Professional Statute). This statute states that the independent practice of the profession is respected by the employer.

(II) In-house counsels from the European Union

A lawyer from the European Union (or from another state that is a party to the Agreement on the European Economic Area, or from Switzerland) working in the Netherlands as in-house counsel is (with respect to the legal services (s)he provides in his or her capacity as lawyer for the employer) entitled to the right to refuse to give evidence if, at the time of the work, (s)he has a Professional Statute, or if this person can show that (s)he has an agreement with the employer, concluded under the law of the country of origin, which offers equivalent guarantees for the lawyer's independence.

(III) Other foreign in-house counsels

Another foreign in-house counsel, who does not fall under I or II, will be entitled to the right to refuse to give evidence if -just like under II- there is an agreement with the employer that offers equivalent guarantees for the lawyer's independence and the undisturbed observance of the rules of professional conduct and practice as the Professional Statute.

With regard to a lawyer from outside the European Union, who is not working as in-house counsel, it is noted that (s)he is entitled to the right to refuse to give evidence with respect to his or her activities as a lawyer at law if; (i) (s)he is entitled this Privilege under the law of the country of origin in relation to the activities in question, and (ii) had his or her activities been performed in the Netherlands by a Dutch lawyer, the Privilege could also be invoked.

Finally, the Supreme Court emphasized that a lawyer -also when working as in-house counsel- can only invoke the right to refuse to give evidence with respect to what has been entrusted to him or her in their capacity as a lawyer and therefore in the context of the activities as a lawyer aimed at the practice of law. Whether this is the case must be assessed on a case-by-case basis, whereby it is important whether the activities carried out by the lawyer are related to pending or expected proceedings.  

Should you have any questions on this subject, please contact Marcel Willems or Elisabeth Bulder.
 



 
Dutch

Verschoningsrecht van (buitenlandse) advocaten in dienstbetrekking

Een van de voornaamste privileges van de advocaat is het verschoningsrecht; het recht om vragen van de rechter onbeantwoord te laten. In de praktijk was niet duidelijk of een (buitenlandse) advocaat in dienstbetrekking -een advocaat die in dienst is van een werkgever en binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever, en van wie de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk- (hierna: in-house counsel) ook verschoningsgerechtigd is. De Hoge Raad verduidelijkt dit in de uitspraak van 24 mei 2022 betreffende het strafrechtelijk onderzoek naar de vermeende omkoping van Shell bij de aankoop van een olieveld in Nigeria. In dat kader zijn begin 2016 op het hoofdkantoor van Shell in Den Haag documenten en digitale gegevensdragers in beslag genomen die documenten bevatten die zijn verzonden of ontvangen door buitenlandse in-house counsels bij (een dochtermaatschappij van) Shell. Centraal in deze zaak staat de vraag of deze stukken onder het verschoningsrecht van de in-house counsels vallen en of de inbeslagneming dus onrechtmatig was. Het cassatieberoep in deze zaak werd niet-ontvankelijk verklaard, aangezien tegen de gewezen tussenbeschikking van de rechtbank geen cassatieberoep open staat, maar desalniettemin merkte de Hoge Raad het volgende op over het verschoningsrecht van (buitenlandse) in-house counsels.

De Hoge Raad overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in dienstbetrekking werkzaam is, geen grond is om hem of haar het verschoningsrecht te ontzeggen. Wel zal moeten blijken dat waarborgen in acht zijn genomen met betrekking tot een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels. Bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden een in-house counsel verschoningsrecht toekomt, maakt de Hoge Raad onderscheid tussen de volgende categorie├źn: (I) Nederlandse in-house counsels, (II) in-house counsels uit de Europese Unie, en (III) andere buitenlandse in-house counsels.

(I) Nederlandse in-house counsels

Aan een in-house counsel die in Nederland staat ingeschreven als advocaat komt –in relatie tot de werkzaamheden die hij of zij in dit verband met de uitoefening van de rechtspraktijk heeft verricht ten behoeve van de werkgever- alleen het verschoningsrecht toe als hij of zij bij het verrichten van de werkzaamheden over een professioneel statuut beschikt, zoals genoemd in artikel 5.12 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Professioneel Statuut); hierin is opgenomen dat de onafhankelijke beroepsuitoefening door de werkgever wordt gerespecteerd.

(II) In-house counsels uit de Europese Unie

Een advocaat uit de Europese Unie (of uit een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of uit Zwitserland) die in Nederland als in-house counsel werkt, is –wat betreft de juridische dienstverlening die hij of zij in hoedanigheid van advocaat verricht ten behoeve van de werkgever– verschoningsgerechtigd als hij of zij ten tijde van de werkzaamheden over een Professioneel Statuut beschikt, of als deze persoon kan aantonen dat hij of zij beschikt over een naar het recht van het land van herkomst gesloten overeenkomst met de werkgever, die gelijkwaardige garanties biedt voor de onafhankelijkheid van de advocaat.

(III) Andere buitenlandse in-house counsels

Een andere buitenlandse in-house counsel, die niet onder I of II valt, komt het verschoningsrecht toe als –net zoals onder II- een overeenkomst bestaat met de werkgever die gelijkwaardige garanties biedt voor de onafhankelijkheid van de advocaat en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels als het Professioneel Statuut.

Wat betreft een advocaat van buiten de Europese Unie en die niet werkzaam is als in-house counsel, wordt opgemerkt dat hem of haar verschoningsrecht toekomt ten aanzien van de werkzaamheden als advocaat als (i) hij of zij naar het recht van het land van herkomst in relatie tot de betreffende werkzaamheden verschoningsgerechtigd is, en (ii) gesteld dat de werkzaamheden in Nederland door een Nederlandse advocaat waren verricht, het verschoningsrecht eveneens zou kunnen worden ingeroepen.

Tot slot benadrukt de Hoge Raad dat de advocaat –ook indien deze werkzaam is als in-house counsel- zich uitsluitend op een verschoningsrecht kan beroepen ten aanzien van wat hem of haar is toevertrouwd vanwege de hoedanigheid van advocaat en dus in het kader van de werkzaamheden als advocaat die zijn gericht op de uitoefening van de reguliere rechtspraktijk. Of hiervan sprake is, dient per geval te worden getoetst, waarbij het van belang is of de door de advocaat verrichte werkzaamheden verband houden met een aanhangige of te verwachten procedure.   

Mocht u vragen over dit onderwerp hebben, neem dan contact op met Marcel Willems of Elisabeth Bulder.

Sign up to our email digest

Click to subscribe or manage your email preferences.

SUBSCRIBE